Een definitieve aanslag hoort duidelijkheid te geven. Toch kan de Belastingdienst soms terugkomen op een eerder opgelegde aanslag. Een recent arrest van de Hoge Raad laat zien dat die ruimte bij fouten in het geautomatiseerde aanslagproces behoorlijk groot is. Dat maakt de vraag actueel hoeveel zekerheid een belastingplichtige nog aan een definitieve aanslag kan ontlenen.
De fout zat in het geautomatiseerde aanslagproces
De Hoge Raad heeft op 17 juli 2026 opnieuw geoordeeld over navordering bij een kenbare fout. De zaak ging over een belastingplichtige die met de Belastingdienst afspraken had gemaakt over een verkoopwinst op aandelen in box 2. Daarna diende hij geen aangifte inkomstenbelasting in. De Belastingdienst legde vervolgens geautomatiseerd een ambtshalve aanslag op, maar nam de afgesproken box 2-winst daarin niet mee.
Na de definitieve aanslag begint de rechtszekerheid
Een aanslag inkomstenbelasting moet in beginsel worden opgelegd binnen drie jaar na afloop van het belastingjaar. Is uitstel verleend voor het indienen van de aangifte, dan wordt deze termijn verlengd met de duur van dat uitstel. Na het opleggen van de definitieve aanslag mag een belastingplichtige er in principe op vertrouwen dat de belastingschuld over dat jaar vaststaat. Dat is de kern van het rechtszekerheidsbeginsel.
Navordering blijft mogelijk, maar niet zomaar
Op deze hoofdregel bestaan uitzonderingen. De belangrijkste staat in artikel 16, eerste lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De inspecteur mag navorderen als sprake is van een nieuw feit. Dat nieuwe feit mag de inspecteur bij het opleggen van de definitieve aanslag niet bekend zijn geweest en ook niet redelijkerwijs bekend hebben kunnen zijn. Is de belastingplichtige te kwader trouw, dan is een nieuw feit niet nodig.
Daarnaast kent artikel 16, tweede lid, onderdeel c, AWR de navordering wegens een kenbare fout. De inspecteur kan dan ook zonder nieuw feit navorderen als te weinig belasting is geheven door een fout en die fout voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar was. De wet neemt die kenbaarheid in elk geval aan als de te weinig geheven belasting ten minste 30% bedraagt van de verschuldigde belasting.
De Hoge Raad legt het begrip fout ruim uit
In de zaak van 17 juli 2026 had de inspecteur nagelaten een behandelvoornemen in het computersysteem van de Belastingdienst op te nemen. Daardoor liep het geautomatiseerde aanslagproces door en werd de ambtshalve aanslag opgelegd zonder het vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang. De inspecteur legde later een navorderingsaanslag op waarin deze box 2-winst alsnog werd belast.
De Hoge Raad oordeelde dat dit geen beoordelingsfout was, maar een fout in de ruime en neutrale zin van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, AWR. Onder zo’n fout vallen niet alleen schrijf-, reken-, overname- en intoetsfouten, maar ook fouten die ontstaan door geautomatiseerde verwerking. Omdat de primitieve aanslag te laag was vastgesteld door het niet stoppen van het geautomatiseerde proces, mocht de inspecteur navorderen.
Daar wringt het met de rechtszekerheid
De uitkomst roept de vraag op hoeveel ruimte het rechtszekerheidsbeginsel nog krijgt. De belastingplichtige wist dat met de Belastingdienst over de verkoopwinst was gesproken. Tegelijkertijd kon hij niet zien welke interne handeling in het geautomatiseerde aanslagsysteem was nagelaten. Toch kwalificeert de Hoge Raad dit als een voor de belastingplichtige kenbare fout, mede omdat het verschil tussen de opgelegde aanslag en de werkelijk verschuldigde belasting groot was.
Box 3 maakt dat spanningsveld herkenbaar
Ook de recente box 3-perikelen laten zien dat de aanslagtermijn in de praktijk steeds belangrijker wordt. De driejaarstermijn was bedoeld als uiterste termijn voor het opleggen van definitieve aanslagen. In de praktijk voelt die termijn voor belastingplichtigen steeds vaker als de normale wachttijd voordat zekerheid ontstaat. Dat komt de rechtszekerheid niet ten goede.
Let bij navordering scherp op de bevoegdheid van de inspecteur
Krijgt een klant een navorderingsaanslag, beoordeel dan altijd eerst of de inspecteur bevoegd is om na te vorderen. Is er een nieuw feit? Is sprake van kwade trouw? Of beroept de inspecteur zich op een kenbare fout van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, AWR? Vooral bij geautomatiseerde aanslagregeling verdient die laatste grond extra aandacht. De rechtspraak laat zien dat het foutbegrip ruim is, terwijl de bescherming van de rechtszekerheid daardoor minder vanzelfsprekend wordt.