Een werknemer participeert in zijn werkgever via aandelen. Die aandelen zijn destijds om niet verkregen en als loon belast. Enkele jaren later moet hij op grond van een bad‑leaverbepaling de aandelen zonder vergoeding terugleveren. De waarde van de aandelen is op dat moment sterk gestegen. Leidt deze verplichte teruglevering tot een belast vervreemdingsvoordeel in box 2?
De casus
Een financieel manager werkt bij een snelgroeiende bv met vijf aandeelhouders. Bij indiensttreding krijgt hij 8% van de aandelen om hem langdurig te binden. De waarde van dit pakket bedraagt op dat moment €200.000 en wordt als loon belast. Daarmee ontstaat voor hem een aanmerkelijk belang met een verkrijgingsprijs van €200.000.
Na een conflict vertrekt hij enkele jaren later. Op grond van de aandeelhoudersovereenkomst kwalificeert hij als bad leaver en moet hij zijn aandelen om niet terugleveren aan de bv. De onderneming is inmiddels fors gegroeid. De waarde van zijn aandelen bedraagt op dat moment €900.000. De werknemer verwerkt dit bedrag als negatief loon in box 1.
De vraag is vervolgens hoe deze teruglevering fiscaal uitwerkt in box 2.
Standpunt van de Belastingdienst
De Kennisgroep aanmerkelijk belang heeft zich op 9 april 2026 uitgesproken over deze situatie. Volgens de Belastingdienst is het terugleveren van aandelen ook bij een overdracht om niet een vervreemding in de zin van artikel 4.12 Wet IB 2001.
Daarbij wordt de overdrachtsprijs niet gesteld op nihil, maar op de waarde in het economisch verkeer van de aandelen op het moment van teruglevering. In het voorbeeld resulteert dit in een box 2‑voordeel van €700.000: een vervreemdingsprijs van €900.000 minus een verkrijgingsprijs van €200.000.
Dat de werknemer civielrechtelijk niets ontvangt, doet daar volgens de Belastingdienst niet aan af.
Samenloop van box 1 en box 2
Opvallend is dat dezelfde gebeurtenis in twee boxen wordt belast. In box 1 ontstaat negatief loon ter grootte van €900.000. Tegelijkertijd wordt in box 2 een positief vervreemdingsvoordeel van €700.000 belast. Deze bedragen worden niet gesaldeerd. Het negatieve inkomen in box 1 kan slechts beperkt worden verrekend met andere box 1‑inkomsten uit andere jaren.
Per saldo kan de werknemer hierdoor belasting verschuldigd zijn terwijl hij geen enkele liquiditeit ontvangt. Dat maakt de uitkomst in de praktijk bijzonder zwaar.
Waar zit de spanning?
In deze situatie gebeurt fiscaal iets opmerkelijks. Een gebeurtenis – het verplicht terugleveren van aandelen – wordt in twee verschillende boxen afzonderlijk belast. In box 1 ontstaat een groot negatief loon, terwijl in box 2 tegelijkertijd een positief voordeel wordt aangenomen. Die twee worden niet met elkaar verrekend.
De oorzaak zit in de manier waarop het boxenstelsel is ingericht. Elk box heeft zijn eigen regels en kijkt alleen naar zijn eigen deel van het inkomen. Het totale financiële resultaat voor de werknemer speelt daarbij geen rol. Dat werkt technisch misschien consistent, maar voelt in dit soort situaties wrang.
Daarnaast speelt de uitleg van het begrip ‘tegenprestatie’ een belangrijke rol. De werknemer ontvangt bij de teruglevering geen vergoeding. Civielrechtelijk is er dus geen koopprijs afgesproken. Toch wordt voor box 2 uitgegaan van de waarde van de aandelen op dat moment. Dat leidt ertoe dat belasting wordt geheven over een voordeel dat niet is ontvangen en ook niet beschikbaar is om de belasting te betalen.
Voor werknemers en managers die via hun dienstbetrekking zijn gaan participeren, is dit vaak moeilijk te begrijpen en uit te leggen. Zeker als zij bij aanvang wel loonbelasting hebben betaald over de waarde van de aandelen, maar bij vertrek alsnog met een forse belastingclaim worden geconfronteerd.
Niet alleen een issue bij werknemersparticipaties
Deze uitkomst beperkt zich niet tot werknemersparticipaties. Ook bij reguliere mkb‑ondernemingen komen bad‑leaverbepalingen veel voor. Denk aan aandeelhouders die samen een onderneming drijven en afspreken dat iemand die voortijdig uitstapt zijn aandelen moet overdragen tegen een lagere prijs dan de actuele waarde.
In de praktijk zijn dit vaak zakelijke afspraken om continuïteit te waarborgen of onderlinge verhoudingen helder te houden. Fiscale gevolgen spelen bij het opstellen van dergelijke clausules lang niet altijd een hoofdrol.
Als bij deze regelingen wordt aangesloten bij de waarde in het economisch verkeer in plaats van bij de afgesproken prijs, kan box 2‑heffing ontstaan over een bedrag dat de aandeelhouder nooit ontvangt. Daarmee kan de belasting hoger uitvallen dan de daadwerkelijke opbrengst. Dat risico is in veel bestaande aandeelhoudersovereenkomsten niet expliciet meegenomen.
Belang voor de praktijk
Voor de praktijk van onze leden is dit standpunt daarom belangrijk. In de adviespraktijk bestaat veel twijfel over deze uitkomst. Vooral het belasten van niet‑gerealiseerde waarde leidt tot vragen en kritiek. Adviseurs herkennen dat deze situatie lastig uitlegbaar is aan werknemers en aandeelhouders die op grond van afspraken verplicht moeten terugleveren.
Tegelijkertijd is het van belang om te beseffen dat een kennisgroepstandpunt geen wet is en ook geen rechtspraak. Het geeft de uitleg weer die de Belastingdienst hanteert bij de toepassing van de bestaande wetgeving. Die uitleg is richtinggevend voor de praktijk, maar kan in een concreet geval door de rechter worden getoetst.
Juist daarom is het belangrijk om dit risico tijdig te signaleren. Werknemersparticipaties, managementbelangen en aandeelhoudersovereenkomsten met bad‑leaverbepalingen zijn in het mkb heel gebruikelijk. Dit standpunt laat zien dat die afspraken fiscaal anders kunnen uitpakken dan vooraf wordt verwacht.
Conclusie
Het kennisgroepstandpunt maakt duidelijk dat een bad‑leaverbepaling kan leiden tot box 2‑heffing over waarde die niet is gerealiseerd. Door de strikte toepassing van het boxenstelsel kan belasting verschuldigd zijn zonder dat daar opbrengsten tegenover staan. Vanuit de praktijk is hier veel kritiek op gekomen, vooral omdat box 1 en box 2 niet op elkaar aansluiten en liquiditeit ontbreekt.
Daarbij moet worden benadrukt dat het hier gaat om de wetsuitleg van de Belastingdienst. Een kennisgroepstandpunt is geen wet en ook geen rechterlijke uitspraak. Het geeft weer hoe de Belastingdienst de bestaande wetgeving toepast in de uitvoeringspraktijk. Zolang deze uitleg niet wordt bijgesteld door beleid of rechtspraak, moeten adviseurs hier in de praktijk wel rekening mee houden. Dat betekent dat participatieregelingen en aandeelhoudersafspraken kritisch moeten worden beoordeeld en dat cliënten tijdig moeten worden gewezen op de mogelijke fiscale gevolgen bij een bad‑leaversituatie.
Heb je vragen over dit artikel?
Het team Fiscaal helpt je graag!
Stuur een mail aan fiscaal@auxiliumadviesgroep.nl.
