Elke werkdag bereikbaar via 033 433 72 17
Nieuws

Herinvesteringsreserve voor de vennootschaps- en de inkomstenbelasting

Auxilium medewerker

Casus

Een van onze cliënten is een concern met een tiental meubelwinkels in het hele land. Het bestaat uit een topholding, met daaronder per vestiging een 100%-deelneming waarin het onroerend goed is ondergebracht (tenzij de winkel is gehuurd). Deze BV’s hebben op hun beurt een 100%-deelneming waarin de winkel is ondergebracht. Alle vennootschappen maken deel uit van de fiscale eenheid M. A BV verkocht in 2013 het winkelpand. De verkoopprijs was € 500.000. De boekwaarde was op dat moment € 100.000. De boekwinst van € 400.000 is per 31 december 2013 opgenomen in een herinvesteringsreserve. Intussen is het bedrijf verhuisd naar een van derden gehuurd pand. Het is de bedoeling dat het bedrijf op die plaats gevestigd blijft.

C BV en D BV hebben uitbreidingsplannen. C BV opende in 2014 een nieuwe winkel in een nieuw pand dat € 400.000 heeft gekost. D BV geeft in 2015 de opdracht voor de nieuwbouw van een pand dat in 2016 in gebruik zal worden genomen. De bouw begint eind 2015. De totale stichtingskosten zijn begroot op € 700.000. Omdat D BV aanzienlijke voorvoegingsverliezen heeft het niet handig om de HIR af te boeken op de nieuwe winkel van C BV. Door de lagere afschrijving in D BV is het resultaat hoger waardoor de voorvoegingsverliezen eerder benut kunnen worden.

Vraag

Mag de HIR van A BV worden afgeboekt op de latere investering van D BV, of moet worden afgeboekt op de eerstvolgende investering, die van C BV?

Antwoord

Voor de toepassing van de herinvesteringsreserve binnen een fiscale eenheid wordt geen onderscheid gemaakt tussen de diverse samenstellende delen. Vennootschapsbelasting wordt geheven alsof de samenstellende delen zijn opgegaan in de moedermaatschappij M. C BV en D BV kunnen dus de HIR die bij A BV is gevormd in principe gebruiken. Het gaat om duurzame bedrijfsmiddelen, dat wil zeggen bedrijfsmiddelen die niet of in meer dan tien jaar worden afgeschreven. Bij duurzame investeringen moet het vervangende bedrijfsmiddel dezelfde functie in het bedrijfsvermogen hebben als het afgestoten bedrijfsmiddel. Aan deze voorwaarde is voldaan.

Afboeking moet geschieden in de volgorde van investeren. Het is dus niet toegestaan om de investering in 2014 ‘over te slaan’ en de HIR af te boeken op de investering van D BV in 2016. Afboeking op het pand van C BV stuit echter op de voorwaarde dat de boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel door de afboeking niet lager mag worden dan de boekwaarde van het vervangen bedrijfsmiddel. Afboeking kan dus plaatsvinden tot maximaal € 100.000. De investering bedraagt € 400.000, zodat maximaal € 300.000 kan worden afgeboekt. Het restant kan in 2016 wel op de investering van D BV worden afgeboekt. De boekwaarde van dat pand wordt dus € 600.000 na afboeking van de HIR.

Stel dat B BV investeert in een vrachtwagen, dan mag daarop ook worden afgeboekt. Dit is echter niet verplicht. Een vrachtwagen is een ‘niet-duurzaam’ bedrijfsmiddel dat in 10 of minder jaren pleegt te worden afgeschreven. Op die aanschaf kan de HIR worden afgeboekt, maar het is niet verplicht. In dit geval mag wel worden gewacht tot een volgende investering in een duurzaam bedrijfsmiddel.