Elke werkdag bereikbaar op 033 433 7217
26 mei 2026 Accountancy

Jaarrekeningrisico’s bij inhuur van zzp’ers

Ed Suiker RA Accountant

Wie veel met zzp’ers werkt, kan een keurige jaarrekening neerleggen en toch een materieel risico missen. Dat zit niet in de boekhouding, de facturen zijn meestal correct verwerkt, maar in de aanname achter die verwerking. Er wordt verondersteld dat de arbeidsrelatie ook in de praktijk als zelfstandige opdracht kan worden gezien.

Als die aanname achteraf niet houdbaar is, kan de onderneming worden geconfronteerd met naheffingen en claims die teruggrijpen op eerdere boekjaren. Het gevolg is geen fiscale bijvangst, maar een verslaggevingsvraagstuk: wanneer hoort dit risico in de balans, wanneer in de toelichting en hoe onderbouw je dat als accountant.

Een risico dat niet vanzelf in de cijfers verschijnt

Schijnzelfstandigheid kondigt zich zelden aan met een fout in de administratie. Externe inhuur loopt via één kostenrekening, de btw wordt geboekt, contracten liggen in het dossier. Het risico zit in de kwalificatie van de relatie en die kwalificatie wordt bepaald door feiten en omstandigheden. De Hoge Raad benadrukt dat alle omstandigheden in samenhang tellen bij de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst; er is geen enkel doorslaggevend criterium.

Voor de jaarrekening betekent dit dat je niet wacht op een aanslag of uitspraak, maar beoordeelt of per balansdatum sprake is van omstandigheden die kunnen leiden tot een verplichting of onzekerheid. Dat sluit aan bij de systematiek van RJ 252.

Waarom dit geen arbeidsrechtelijk randonderwerp is

Bij schijnzelfstandigheid verschuift de discussie vaak naar juridisch gelijk krijgen. Voor de jaarrekening is dat niet het vertrekpunt. De vraag is welke financiële gevolgen plausibel en materieel zijn en wat de gebruiker van de jaarrekening daarover moet weten.

De financiële gevolgen kunnen breed zijn. Bij herkwalificatie kan de opdrachtgever alsnog loonheffingen en premies moeten afdragen en kunnen boetes een rol spelen. Daarnaast kunnen arbeidsrechtelijke en pensioenrechtelijke gevolgen volgen. Een jarenlang gevolgde werkwijze kan juist betekenen dat het effect zich heeft opgebouwd.

Van betaalde facturen naar latente verplichtingen

Zolang iedereen het eens is over zelfstandigheid, is verwerking als externe kosten passend. Zodra het risico op herkwalificatie reëel wordt, krijgen diezelfde facturen een andere betekenis: ze vormen de basis voor een mogelijke verplichting met een oorsprong in het verleden.

De vraag verschuift daarmee van kostenverwerking naar balanswaardering. RJ 252 schrijft voor dat verplichtingen waarvan de omvang of timing onzeker is, als voorziening worden opgenomen als aan de voorwaarden wordt voldaan, en anders worden toegelicht als voorwaardelijke verplichting.

Daarbij speelt in de praktijk nog een andere dimensie. Het opnemen van een voorziening wordt soms in procedures aangegrepen als aanwijzing dat een onderneming zelf ook uitgaat van een verplichting. Dat doet geen recht aan de functie van een voorziening. Die is juist bedoeld als inschatting op basis van beschikbare informatie en kan ook weer vrijvallen. Tegelijk is dit wel een reden dat de onderbouwing in het dossier scherp moet zijn.

Het beslismoment in de jaarrekening

De afbakening tussen toelichting, voorziening en schuld volgt uit de RJ‑systematiek.

RJ 252 vereist voor het opnemen van een voorziening dat sprake is van een in rechte afdwingbare of feitelijke verplichting per balansdatum, dat uitstroom van middelen waarschijnlijk is en dat de omvang betrouwbaar kan worden geschat.

Bij schijnzelfstandigheid zie je in de praktijk drie situaties.

  • In de eerste situatie is er alleen een algemeen risico. Er zijn nog geen concrete aanwijzingen van herkwalificatie. In dat geval ontbreekt een verplichting in de zin van RJ 252 en blijft het bij signalering en eventueel toelichting als sprake is van een materiële onzekerheid.
  • In de tweede situatie zijn er wel concrete aanwijzingen, bijvoorbeeld een boekenonderzoek of correspondentie met de Belastingdienst. Dan kan sprake zijn van een feitelijke verplichting waarvan de afwikkeling onzeker is. Als de kans op uitstroom waarschijnlijk is en een redelijke schatting mogelijk is, ligt het opnemen van een voorziening voor de hand.
  • In de derde situatie is de onzekerheid feitelijk verdwenen. Denk aan een afgerond onderzoek met een concreet correctiebedrag of een situatie waarin betaling nagenoeg vaststaat. Dan is geen sprake meer van een voorziening in de zin van RJ 252, maar van een schuld die onder de kortlopende schulden moet worden opgenomen.

Hoe breed moet je waarderen?

Bij de waardering wordt vaak te beperkt gekeken. Een naheffing loonheffingen omvat meerdere componenten, waaronder premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw. Boetes en rente kunnen daar nog bij komen.

Daarnaast speelt de vraag in hoeverre verhaal mogelijk is. Vrijwaringsclausules in zzp‑overeenkomsten bieden niet zonder meer zekerheid. Voor werkgeverspremies geldt een verhaalsverbod en ook voor andere componenten kan verhaal stranden. Dat betekent dat regresmogelijkheden alleen worden meegenomen als daar een voldoende onderbouwde verwachting tegenover staat.

Dit sluit aan bij het voorzichtigheidsbeginsel binnen RJ 252: mogelijke voordelen worden pas verwerkt als deze voldoende zeker zijn.

Btw als onderbelicht gevolg van herkwalificatie

De risicoanalyse beperkt zich niet tot loonheffingen. Als schijnzelfstandigheid wordt aangenomen, kan dat doorwerken naar het btw‑ondernemerschap van de opdrachtnemer en daarmee naar de aftrek van voorbelasting bij de opdrachtgever.

Dat kan leiden tot suppleties over het verleden. Als de inhuur materieel is, moet dit btw‑risico worden meegenomen in de beoordeling van de omvang van een voorziening of in de toelichting.

Pensioenverplichtingen die pas laat worden gezien

Pensioenclaims ontstaan niet automatisch bij iedere herkwalificatie. Daarvoor moet eerst vaststaan dat de werkzaamheden onder de werkingssfeer van een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds vallen of dat een pensioenregeling van toepassing is.

Als dat het geval is, hanteren fondsen vaak het uitgangspunt dat rechten bestaan ook zonder premiebetaling. Vervolgens worden premies over het verleden nageheven.

Daarbij spelen twee punten. De verjaringstermijn voor premievorderingen begint te lopen bij het moment van opeisbaarheid, ongeacht kennis bij het fonds. Daarnaast is het achteraf verhalen van het werknemersdeel beperkt en onzeker.

Voor de jaarrekening betekent dit dat pensioen een afzonderlijke risicopost is die op eigen merites moet worden beoordeeld.

Gebeurtenissen na balansdatum zetten het risico op scherp

Schijnzelfstandigheid komt vaak pas na balansdatum expliciet in beeld, bijvoorbeeld door een boekenonderzoek of een claim. Dan is de vraag of deze informatie licht werpt op de situatie per balansdatum.

RJ 160 maakt onderscheid tussen gebeurtenissen die nadere informatie geven over omstandigheden die al bestonden op balansdatum en gebeurtenissen die daar los van staan. In het eerste geval moet de jaarrekening worden aangepast, in het tweede geval volstaat toelichting als het effect materieel is.

Voor de controlepraktijk geldt dat de NBA‑standaarden voorschrijven dat gebeurtenissen tussen balansdatum en de datum van de controleverklaring worden beoordeeld op mogelijke gevolgen voor de jaarrekening, zowel voor aanpassing als voor toelichting.

Wat hoort de lezer van de jaarrekening te weten?

Als geen voorziening wordt opgenomen, moet de toelichting voldoende inzicht geven. RJ 252 verlangt dat de aard van de onzekerheid en, voor zover mogelijk, de financiële impact wordt toegelicht.

Een toelichting beschrijft daarom de aard van de inhuur, de onzekerheid over de kwalificatie en de mogelijke gevolgen, zonder in detail te treden over juridische standpunten.

Van afvinken naar professioneel oordeel

De aanwezigheid van een modelovereenkomst is voor de jaarrekening niet beslissend. De verslaggeving sluit aan bij de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden.

De rol van de accountant ligt in het identificeren van het risico, het inschatten van de mogelijke financiële gevolgen en het onderbouwen van de verwerking in de jaarrekening in lijn met RJ 252 en RJ 160.

Tot slot

Schijnzelfstandigheid kan in de jaarrekening lange tijd buiten beeld blijven, terwijl de financiële gevolgen materieel kunnen zijn. De beoordeling vraagt om een scherpe analyse van de situatie per balansdatum en om een duidelijke keuze tussen toelichting, voorziening of schuld. De richtlijnen bieden daarvoor een helder kader, mits deze zorgvuldig worden toegepast.

Volg onze webinars over schijnzelfstandigheid