Prinsjesdag 2026
Status: wetsvoorstel. De parlementaire behandeling kan nog tot wijzigingen leiden.
Het kabinet schrapt het wettelijke onzakelijkheidsvermoeden bij bedrijfsfusies en splitsingen. Aanleiding is het arrest van de Hoge Raad van 27 februari 2026. Ondernemers krijgen daardoor meer ruimte om een reorganisatie te combineren met een latere verkoop. Een goede onderbouwing blijft nodig: de inspecteur kan de faciliteit nog steeds weigeren als belastingontwijking of belastinguitstel het hoofddoel is.
Waarom bestaan de faciliteiten?
Een bedrijfsfusie of splitsing kan leiden tot directe belastingheffing over stille reserves en goodwill. Artikel 14 en 14a Wet Vpb 1969 voorkomen die afrekening onder voorwaarden door de fiscale claims door te schuiven. Dat maakt reële reorganisaties mogelijk, bijvoorbeeld het scheiden van activiteiten en vastgoed, het voorbereiden van een bedrijfsopvolging of het ontvlechten van aandeelhouders.
Het onzakelijkheidsvermoeden
Let op dat de bedrijfsfusiefaciliteit en de splitsingsfaciliteit een verschillende wettelijke reikwijdte hebben. Bij een bedrijfsfusie draagt een vennootschap een onderneming of zelfstandig onderdeel daarvan over tegen uitreiking van aandelen. Bij een splitsing gaat vermogen onder algemene titel over. Welke route past, hangt daarom af van de gewenste juridische en fiscale uitwerking.
De wet ging ervan uit dat zakelijke overwegingen ontbreken als aandelen in een betrokken lichaam binnen drie jaar worden vervreemd aan een niet-verbonden lichaam. De belastingplichtige kon tegenbewijs leveren. In de praktijk bracht dit extra onzekerheid mee bij reorganisaties die samenhingen met een latere verkoop. Juist bij familiebedrijven kan een voorgenomen opvolging, management buy-out of verkoop aanleiding zijn om eerst de structuur te verbeteren.
Het arrest van 27 februari 2026
De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2026:298 dat het onzakelijkheidsvermoeden van de splitsingsfaciliteit niet in overeenstemming is met de Europese Fusierichtlijn. Het vermoeden legt de bewijslast bij de belastingplichtige zodra aandelen binnen drie jaar worden vervreemd, zonder dat de inspecteur eerst concrete aanwijzingen voor belastingontwijking hoeft aan te voeren. Het kabinet trekt de gevolgen van dit arrest door naar zowel de splitsingsfaciliteit als de bedrijfsfusiefaciliteit.
Wat verandert er per 2027?
De derde zin van artikel 14, vierde lid, Wet Vpb 1969 en de derde zin van artikel 14a, zesde lid, Wet Vpb 1969 vervallen. Ook verdwijnen de bepalingen die voorafgaande zekerheid specifiek aan het vermoeden koppelden. Een vervreemding binnen drie jaar leidt daardoor niet meer automatisch tot het vermoeden dat zakelijke overwegingen ontbreken. Daarmee verdwijnt ook de daaraan gekoppelde omkering van de bewijslast. De inspecteur kan de faciliteit nog steeds weigeren als hij aannemelijk maakt dat de fusie of splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belasting.
De hoofdvoorwaarden blijven bestaan. De reorganisatie moet passen binnen de wettelijke faciliteit, fiscale claims moeten behouden blijven en de antimisbruiktoets blijft gelden. Een verkoop kort na een reorganisatie kan nog steeds een belangrijk feit zijn. Alleen het automatische bewijsvermoeden verdwijnt.
Vier situaties uit de mkb-praktijk
1. Vastgoed en onderneming scheiden
Een ondernemer wil het bedrijfspand scheiden van de risicodragende activiteiten. Dat kan het bedrijfsrisico beperken en een latere overdracht van de activiteiten vereenvoudigen. Lopen er al gesprekken met een koper, onderzoek dan nauwkeurig hoe de voorgenomen verkoop zich verhoudt tot de reorganisatie. Leg de bedrijfseconomische en organisatorische redenen voor de scheiding vast, ook als die redenen mede samenhangen met de verkoop.
2. Voorbereiding bedrijfsopvolging
Een familiebedrijf kan activiteiten verdelen over opvolgers of stemrecht en economisch belang anders structureren. Het vervallen van het vermoeden vermindert de druk van de driejaarstermijn. Toch moet de structuur aansluiten op reële taken, risico’s en zeggenschap. Ook de voorwaarden van de BOR en doorschuifregelingen vragen afzonderlijke toetsing.
3. Management buy-out
Voor een management buy-out is soms eerst een juridische ontvlechting nodig. Een latere aandelenverkoop blokkeert de faciliteit niet langer alleen vanwege het tijdsverloop. De adviseur moet wel aantonen dat de reorganisatie functioneel is en niet slechts dient om een belaste verkoopwinst om te zetten in een onbelaste of uitgestelde claim.
4. Ruziesplitsing
Aandeelhouders die niet verder willen samenwerken, kunnen de activiteiten met een splitsing verdelen. Zakelijke conflicten, verschillen in strategie en uiteenlopende financieringsbehoeften kunnen daarvoor geldige motieven zijn. Onderbouw ook dat de gekozen verdeling bedrijfseconomisch uitvoerbaar is. Notulen, waarderingen, correspondentie en een beschrijving van de zelfstandige levensvatbaarheid van de afgesplitste onderdelen ondersteunen die onderbouwing.
Dossiervorming blijft beslissend
- Beschrijf vooraf de bedrijfseconomische en organisatorische doelen.
- Leg alternatieven vast en motiveer waarom voor fusie of splitsing is gekozen.
- Bewaar tijdlijnen van verkoopgesprekken en besluiten.
- Onderbouw waarderingen en ruilverhoudingen.
- Toets naast de Vpb ook overdrachtsbelasting, btw, dividendbelasting, box 2 en bedrijfsopvolgingsfaciliteiten.
Conclusie
Het schrappen van het onzakelijkheidsvermoeden is geen vrijbrief, maar wel een belangrijke verbetering. Een verkoop binnen drie jaar leidt niet langer automatisch tot een ongunstige bewijspositie. Adviseurs kunnen een fusie of splitsing daardoor beter afstemmen op wat de onderneming nodig heeft. Leg de zakelijke motieven wel vast voordat de uitvoering begint.