Elke werkdag bereikbaar op 033 433 7217
6 juli 2026 Fiscaal

Hoge Raad sluit deur voor niet-bezwaarmakers in box 3

Op 25 juni 2026 heeft de Hoge Raad definitief geoordeeld dat mensen die geen bezwaar hebben gemaakt tegen hun box 3-aanslagen over de jaren 2017 tot en met 2020 geen recht hebben op rechtsherstel. Voor duizenden belastingplichtigen was dit waarschijnlijk de laatste strohalm. Daarmee komt een einde aan de zogenoemde massaalbezwaarplusprocedure voor niet-bezwaarmakers.

De uitspraak is juridisch gezien niet verrassend, maar maatschappelijk gezien wel ingrijpend. Veel belastingplichtigen hebben belasting betaald over een fictief rendement dat achteraf onrechtmatig bleek te zijn. Toch krijgen zij geen compensatie.

Van het Kerstarrest naar de massaalbezwaarplusprocedure

Het begon met het inmiddels beroemde Kerstarrest van 24 december 2021. Daarin oordeelde de Hoge Raad dat het vanaf 2017 geldende box 3-stelsel in strijd kwam met het discriminatieverbod en het eigendomsrecht uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) wanneer belasting werd geheven over een fictief rendement dat hoger was dan het werkelijk behaalde rendement.

Voor belastingplichtigen die tijdig bezwaar hadden gemaakt, leidde dit tot rechtsherstel. Anders lag dat voor degenen van wie de aanslag al onherroepelijk vaststond. De Hoge Raad besliste al in 2022 dat het Kerstarrest moest worden aangemerkt als ‘nieuwe jurisprudentie’. Daardoor hoefde de Belastingdienst definitieve aanslagen niet ambtshalve te verminderen.

Om toch duidelijkheid te krijgen over de positie van niet-bezwaarmakers werd vervolgens een massaalbezwaarplusprocedure gestart. Via proefprocedures werd de vraag aan de rechter voorgelegd of deze groep alsnog aanspraak kon maken op hetzelfde rechtsherstel als de bezwaarmakers.

Waarom krijgen niet-bezwaarmakers geen compensatie?

De belanghebbenden voerden verschillende argumenten aan. Zij stelden onder meer dat zij gelijk behandeld moesten worden als belastingplichtigen die wel tijdig bezwaar hadden gemaakt. Daarnaast voerden zij aan dat het weigeren van een ambtshalve vermindering in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel. Ook deden zij een beroep op beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.

De Hoge Raad gaat daar niet in mee. Volgens de Hoge Raad verkeren belastingplichtigen die geen bezwaar hebben gemaakt niet in dezelfde juridische positie als belastingplichtigen die dat wel hebben gedaan. Daarom is geen sprake van gelijke gevallen en dus ook niet van discriminatie.

Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel strandt. De regeling die ambtshalve vermindering uitsluit bij nieuwe jurisprudentie dient volgens de Hoge Raad legitieme doelen, zoals rechtszekerheid en een uitvoerbare belastingheffing. De rechter moet bovendien terughoudend zijn bij de beoordeling van politiek-bestuurlijke keuzes.

Juridisch begrijpelijk, maar lastig uit te leggen

De uitspraak laat opnieuw zien dat belastingrecht niet alleen gaat over materiële rechtvaardigheid, maar ook over formeel procesrecht. Dat wringt. Zowel de bezwaarmaker als de niet-bezwaarmaker betaalde mogelijk belasting over een rendement dat nooit is behaald. Het verschil zit uitsluitend in de vraag of tijdig bezwaar is gemaakt.

Voor veel burgers voelt dat onrechtvaardig. Toch vormt juist die formele rechtskracht een belangrijk fundament van het belastingstelsel. Op enig moment moeten aanslagen definitief worden. Zonder zo’n eindpunt zou iedere nieuwe uitspraak van een rechter kunnen leiden tot heropening van oude belastingjaren, met grote gevolgen voor de uitvoerbaarheid van de belastingheffing.

De Hoge Raad kiest nadrukkelijk voor dat uitgangspunt van rechtszekerheid.

Wat betekent dit voor de adviespraktijk?

Voor adviseurs bevat de uitspraak een belangrijke les. In dossiers waarin discussie bestaat over de rechtmatigheid van wetgeving of waarin procedures lopen bij de Hoge Raad, blijft het van belang om tijdig bezwaar te maken. Ook wanneer de kans op succes op dat moment nog beperkt lijkt.

De geschiedenis van box 3 laat zien hoe groot het verschil kan zijn tussen belastingplichtigen die wel bezwaar maakten en belastingplichtigen die dat niet deden. Voor de eerste groep volgde rechtsherstel. Voor de tweede groep blijft de aanslag in stand, ondanks het feit dat achteraf vaststaat dat het wettelijke stelsel tekortkomingen kende.

Bij zaken waarin principiële rechtsvragen spelen of waarin proefprocedures lopen, vraagt de keuze om wel of geen bezwaar te maken daarom om een bewuste beoordeling per dossier. Daarbij kan het veiligstellen van rechten een belangrijk aandachtspunt zijn.

En hoe zit het met de jaren 2021 en verder?

De uitspraak heeft uitsluitend betrekking op de niet-bezwaarmakers over de jaren 2017 tot en met 2020. Voor de jaren 2021 tot en met 2024 geldt een andere situatie. Voor die jaren kunnen belastingplichtigen hun werkelijke rendement doorgeven via het formulier Opgaaf werkelijk rendement wanneer zij daarvoor worden uitgenodigd door de Belastingdienst.

Daarmee blijft het box 3-dossier voorlopig actueel. De uitspraak van 25 juni 2026 sluit een belangrijk hoofdstuk af, maar het debat over de belastingheffing op vermogen is nog niet voorbij.

Conclusie

Met deze uitspraak bevestigt de Hoge Raad de eerdere lijn uit 2022. Het Kerstarrest levert voor niet-bezwaarmakers geen recht op ambtshalve vermindering op. Rechtszekerheid en de definitieve vaststelling van aanslagen wegen volgens de Hoge Raad zwaarder dan het belang van individueel herstel.

Voor de praktijk is de belangrijkste boodschap helder: wie zijn rechten wil veiligstellen, moet tijdig bezwaar maken. Het box 3-dossier laat zien dat het verschil tussen wel en geen bezwaar soms kan oplopen tot duizenden euro’s.

Hulp nodig van onze fiscalisten?

Stuur een mail aan de helpdesk fiscaal