Werkgevers die dachten dat de regels rond de pseudo-eindheffing vaststonden, kregen eind juni nieuw nieuws uit Den Haag. In een Kamerbrief van 22 juni 2026 heeft de staatssecretaris verschillende tegemoetkomingen aangekondigd naar aanleiding van de vele bezwaren uit de praktijk. Er komen onder meer uitzonderingen voor vervangende auto’s, lesauto’s en bepaalde huur- en deelauto’s. Ook wordt voorgesteld de overgangsregeling te verlengen tot 1 januari 2031.
Voor werkgevers is dat positief nieuws. Tegelijkertijd verandert er niets aan de belangrijkste consequentie van de regeling: wie gebruik wil maken van het overgangsrecht moet nog steeds vóór 31 december 2026 handelen. Juist daarom verdient de pseudo-eindheffing de komende maanden aandacht van accountants, fiscalisten en salarisadviseurs.
Wat houdt de pseudo-eindheffing in?
Vanaf 1 januari 2027 moeten werkgevers een pseudo-eindheffing betalen voor niet-volledig emissievrije personenauto’s die zij aan werknemers ter beschikking stellen voor privégebruik. Voor deze regeling telt woon-werkverkeer eveneens als privégebruik. Dat wijkt af van de systematiek die werkgevers gewend zijn bij de reguliere bijtelling.
De heffing bedraagt 12% per jaar van de cataloguswaarde inclusief btw en bpm. Bij auto’s ouder dan 25 jaar wordt uitgegaan van de waarde in het economische verkeer. De heffing komt volledig voor rekening van de werkgever en staat los van de bijtelling bij de werknemer. De werknemer kan dus gewoon met bijtelling worden geconfronteerd, terwijl de werkgever daarnaast de pseudo-eindheffing moet afdragen.
De regeling geldt alleen voor de loonbelasting. Ondernemers zonder personeel vallen daardoor buiten de regeling. Ook bestelauto’s vallen op dit moment niet onder de pseudo-eindheffing.
Meer informatie over de regeling is opgenomen op de website van de overheid via het Ondernemersplein.
De financiële gevolgen kunnen fors zijn
Dat de regeling veel discussie oproept is niet verrassend. De bedragen kunnen aanzienlijk zijn. Een werkgever die een personenauto met een cataloguswaarde van €50.000 ter beschikking stelt, betaalt straks €6.000 pseudo-eindheffing per jaar. Een wagenpark van twintig vergelijkbare auto’s leidt daarmee tot een extra kostenpost van €120.000 per jaar. Bij honderd auto’s loopt dat op tot €600.000 per jaar.
Voor veel werkgevers is daarom niet de vraag óf de regeling gevolgen heeft, maar hoe groot die gevolgen worden.
Het loonheffingennummer verdient meer aandacht
In de praktijk gaat de meeste aandacht uit naar de auto’s zelf. Toch zit een van de belangrijkste aandachtspunten ergens anders. Het overgangsrecht is namelijk gekoppeld aan de inhoudingsplichtige werkgever en dus aan het loonheffingennummer. Veel werkgevers gaan er ten onrechte van uit dat het overgangsrecht aan de auto of aan de werknemer is verbonden. Dat is niet het geval. Dat kan in concernverhoudingen onverwachte gevolgen hebben.
Stel dat een fossiele leaseauto vóór 1 januari 2027 wordt verstrekt door vennootschap A. Die auto valt daardoor onder het overgangsrecht. Wordt dezelfde auto later ondergebracht bij vennootschap B met een ander loonheffingennummer, dan kan het overgangsrecht verloren gaan. De auto blijft dezelfde en ook de werknemer kan dezelfde blijven, maar voor de pseudo-eindheffing is het loonheffingennummer bepalend.
Juist daarom is een inventarisatie van het wagenpark alleen onvoldoende. Ook de wijze waarop auto’s binnen een concern zijn ondergebracht, verdient aandacht.
Waarom kwamen er aanpassingen?
Sinds de invoering van de regeling is veel kritiek geuit op de uitvoerbaarheid. Werkgevers wezen onder meer op situaties waarin een werknemer tijdelijk gebruikmaakt van een vervangende auto tijdens onderhoud of schadeherstel. Ook ontstonden vragen over huurauto’s, deelauto’s en andere tijdelijke mobiliteitsoplossingen. Daarnaast werd gewezen op de administratieve lasten die samenhangen met het bijhouden van alle relevante situaties.
Deze signalen hebben geleid tot de Kamerbrief van 22 juni 2026 waarin de staatssecretaris verschillende wijzigingen aankondigt.
Welke versoepelingen zijn aangekondigd?
De belangrijkste aangekondigde wijziging betreft vervangend vervoer. Wanneer een auto tijdelijk niet beschikbaar is vanwege onderhoud, reparatie of schade, wil het kabinet een vrijstelling invoeren voor een vervangende fossiele auto gedurende maximaal veertien dagen. Daarmee wordt voorkomen dat werkgevers direct worden geconfronteerd met een heffing vanwege een tijdelijke noodoplossing.
Daarnaast is aangekondigd dat lesauto’s worden uitgezonderd van de regeling. Ook komt er een beperkte uitzondering voor tijdelijk gebruik van een fossiele huur- of deelauto gedurende maximaal zeven dagen per jaar.
Verder wil het kabinet de overgangsregeling verlengen. In plaats van een einddatum op 17 september 2030 wordt voorgesteld het overgangsrecht te laten doorlopen tot 1 januari 2031. Daarmee wordt voorkomen dat werkgevers midden in een kalenderjaar met een wijziging worden geconfronteerd.
Wat is de status van deze wijzigingen?
Hier ligt een belangrijk onderscheid. De pseudo-eindheffing zelf staat vast. De regeling maakt onderdeel uit van het Belastingplan 2026 en treedt op 1 januari 2027 in werking. Werkgevers moeten er dus vanuit gaan dat de heffing daadwerkelijk wordt ingevoerd.
De aangekondigde versoepelingen zijn op dit moment nog geen geldende wetgeving. Zij zijn opgenomen in de Kamerbrief van 22 juni 2026 en moeten nog wettelijk worden uitgewerkt. De definitieve vormgeving wordt naar verwachting later dit jaar duidelijk.
Dat betekent dat werkgevers bij hun planning niet moeten uitgaan van toekomstige uitzonderingen, maar van de regels zoals deze nu bekend zijn.
Wat betekent dit voor de praktijk?
De komende maanden kijken veel werkgevers naar hun leasecontracten en de vraag of auto’s nog vóór 1 januari 2027 ter beschikking kunnen worden gesteld. Dat is terecht, maar het is niet het enige aandachtspunt.
Minstens zo belangrijk is de controle van loonheffingennummers, concernstructuren, mobiliteitsregelingen en afspraken rond vervangend vervoer. Juist daar kunnen onbedoeld gevolgen ontstaan voor het overgangsrecht.
De aangekondigde versoepelingen maken de regeling werkbaarder. Zij veranderen echter niets aan de belangrijkste boodschap voor werkgevers: wie gebruik wil maken van het overgangsrecht, heeft nog maar enkele maanden om de juiste stappen te zetten
