Helpdeskvraag
Een ondernemer stopt eind 2025 met zijn eenmanszaak. Begin 2026 richt hij alsnog een bv op en wil hij zijn oude onderneming daarin onderbrengen. Hij wil daarbij een lijfrente bij zijn eigen bv afsluiten en die aftrekken als stakingslijfrente. Kan dat nog?
Antwoord
Nee, dat kan niet meer. Als de onderneming aan het einde van 2025 al is gestopt, kan die in 2026 niet meer worden ingebracht. De rechtbank heeft dit onlangs bevestigd in een vergelijkbare zaak (zie: ECLI:NL:RBGEL:2026:1404), waarin een ondernemer in dezelfde situatie geen recht had op aftrek van de stakingslijfrente.
Waarom werkt dit zo?
Een stakingslijfrente bij de eigen bv is alleen aftrekbaar wanneer de lijfrente samenhangt met de overdracht van de onderneming aan die bv. Die lijfrente is dan onderdeel van de tegenprestatie. Daarvoor moet er nog een onderneming zijn op het moment van de overdracht.
Als de activiteiten eind 2025 al zijn beëindigd en er bijvoorbeeld een eindafrekening is geweest, is de onderneming daarmee gestopt. In 2026 is er geen onderneming meer die kan worden overgedragen, zodat de bv ook niets voortzetten.
De onderneming moet ook na de inbreng blijven bestaan
Bij zowel ruisende als geruisloze inbreng geldt dat de onderneming niet alleen op het moment van inbreng moet bestaan, maar ook daarna moet blijven bestaan binnen de bv. De bv moet het bedrijf dus echt voortzetten: dezelfde werkzaamheden, dezelfde klanten, dezelfde inkomstenbron.
Het gaat daarbij niet om formaliteiten, maar om wat er in werkelijkheid gebeurt. Als de bv de onderneming na de inbreng direct verkoopt, stillegt of niet verder voert, dan is er geen echte voortzetting. In dat geval wordt de overdracht niet gezien als een bedrijfsoverdracht waarop een lijfrente mag aansluiten.
Dit was precies het probleem in de uitspraak van Rechtbank Gelderland: de activiteiten waren al eerder gestopt en de bv kon niets meer voortzetten. Daardoor kon de lijfrente niet worden gezien als onderdeel van een overdracht, en verviel de aftrek.
Gevolgen voor de praktijk
In de praktijk draait het vooral om het tijdstip waarop de ondernemer feitelijk stopt. Dat moment bepaalt of de onderneming nog kan worden ingebracht en of een lijfrente aan de bv kan worden gekoppeld.
Bestaan de activiteiten nog, dan is inbreng nog mogelijk. Zijn ze al beëindigd, dan houdt het op, ook als de ondernemer later alsnog een bv opricht. Belangrijk is dat bij de inbreng de duidelijke intentie bestaat om de onderneming binnen de bv voort te zetten. Wordt er wel ingebracht, maar vervolgens direct beëindigd of verkocht, dan kan dat de lijfrenteaftrek alsnog in gevaar brengen.
Heb je vragen over dit onderwerp, dan kun je contact opnemen met de fiscale afdeling. Bij voorkeur doe je dit via fiscaal@auxiliumadviesgroep.nl
Het team Fiscaal helpt je graag!
