De gebruikelijkloonregeling blijft volop in beweging. In korte tijd zijn drie ontwikkelingen gepubliceerd die direct relevant zijn voor de adviespraktijk: een evaluatie van de regeling, een vervolgonderzoek van het ministerie van Financiën en een kennisgroepstandpunt over de voorperiode van de bv.
Gezamenlijk geven deze stukken een helder signaal af. De wetgever en Belastingdienst sturen aan op meer uniformiteit, betere onderbouwing en strengere handhaving van het dga-loon. Voor de praktijk betekent dat dat bestaande werkwijzen minder vrijblijvend worden.
Kennisgroep: geen gebruikelijk loon tijdens voorperiode bv
De meest concrete duidelijkheid komt uit het kennisgroepstandpunt van 8 mei 2026. Daarin bevestigt de Belastingdienst dat de gebruikelijkloonregeling niet geldt tijdens de voorperiode van een bv.
De redenering is juridisch zuiver. Zolang de bv nog niet is opgericht, ontbreekt een lichaam en kan er geen dienstbetrekking bestaan. Daarmee komt artikel 12a Wet LB 1964 niet in beeld.
Voor de praktijk betekent dit dat er in de voorperiode geen gebruikelijk loon in aanmerking wordt genomen en dus ook geen loonheffingen verschuldigd zijn. De resultaten worden in die fase nog in de IB-sfeer verantwoord en pas vanaf de notariële oprichting ontstaat een loonadministratie.
Dit geeft duidelijkheid bij inbreng- en oprichtingssituaties, maar onderstreept ook dat de knip tussen IB en loon scherp moet worden bewaakt.
Evaluatie bevestigt structurele uitvoeringsproblemen
In mei 2025 verscheen het evaluatierapport ‘Evaluatie gebruikelijkloonregeling: draagt de dga zijn steentje bij?’. De conclusie is genuanceerd. De regeling is doelmatig, maar slechts deels doeltreffend. Het vervolgonderzoek uit maart 2026 bevestigt dat beeld.
SEO becijfert dat de feitelijke loonsom van dga’s ongeveer 80% bedraagt van wat passend zou zijn bij volledige naleving van de wettelijke norm. De regeling functioneert dus, maar laat tegelijkertijd structureel ruimte voor lagere loonvaststellingen.
Voor de adviespraktijk is vooral van belang dat er geen centrale en betrouwbare bron bestaat voor vergelijkbare lonen en dat de handhaving als beperkt wordt ervaren. In de praktijk fungeert het normbedrag daardoor vaak als ankerpunt. Veel dga’s zitten rond of onder dat bedrag zonder dat daar een duidelijke onderbouwing aan ten grondslag ligt. De afschaffing van de doelmatigheidsmarge heeft hierin nauwelijks verandering gebracht.
Dit bevestigt wat veel adviseurs al langer zien: de regeling wordt regelmatig pragmatisch ingevuld, terwijl de controleerbaarheid beperkt is.
Nieuwe focus: uniforme waarderingsmethode
Het vervolgonderzoek richt zich nadrukkelijk op de kern van het probleem. Het huidige systeem kent geen uniforme vergelijkingsbasis en marktvergelijkingen worden in de praktijk wisselend toegepast. Ook beschikt de Belastingdienst over beperkte objectieve controlemogelijkheden.
Daarom onderzoekt het ministerie de ontwikkeling van een generieke functiewaarderingsmethode. Daarmee zou de meest vergelijkbare dienstbetrekking op uniforme wijze kunnen worden vastgesteld, zowel door adviseurs als inspecteurs.
Als deze methode daadwerkelijk wordt ingevoerd, leidt dat tot meer standaardisatie van dga-salarissen en minder ruimte voor vrije interpretatie. Tegelijkertijd ligt het voor de hand dat controles meer datagedreven worden en dat de bewijspositie van de Belastingdienst sterker wordt.
Meer aandacht voor management-bv’s en afroommethodiek
Opvallend is dat het onderzoek expliciet ingaat op management-bv’s. Sinds het arrest van de Hoge Raad uit 2016 is de afroommethode sterk beperkt, omdat het systeem uitgaat van vergelijking met een meest vergelijkbare dienstbetrekking.
Het ministerie onderzoekt nu of een nieuwe waarderingsmethode ook voor management-bv’s houvast kan bieden en of in specifieke situaties wetgeving nodig is om de afroommethode weer mogelijk te maken. Daarmee kan op termijn opnieuw beweging ontstaan in dit terrein.
Geen generieke verhoging van het normbedrag
Hoewel SEO beleidsopties aandraagt voor verhoging of differentiatie van het normbedrag, lijkt het kabinet daar voorlopig niet in mee te gaan. Het huidige bedrag van € 58.000 in 2026 sluit volgens het ministerie nog steeds aan bij circa 125% van het modale inkomen.
Een verhoging leidt vooral tot meer discussie en hogere administratieve lasten, terwijl differentiatie op basis van loonsom naar verwachting beperkt effect heeft. De nadruk verschuift daarmee niet naar een hoger normbedrag, maar naar een betere onderbouwing van het loon.
Wat betekent dit voor de adviespraktijk?
De ontwikkelingen wijzen allemaal in dezelfde richting. De gebruikelijkloonregeling beweegt naar een systeem met meer objectivering, meer datagedreven toezicht en minder ruimte voor globale onderbouwingen.
Voor de praktijk betekent dit dat de inrichting van dossiers belangrijker wordt. Onderbouwingen van dga-lonen moeten concreter en beter reproduceerbaar zijn, terwijl marktvergelijkingen inzichtelijk en verdedigbaar moeten worden vastgelegd. Vooroverleg kan daarbij aan belang winnen.
Vooral bij management-bv’s en situaties waarin wordt afgeweken van het normbedrag komt de lat hoger te liggen. Daar wordt de discussie met de Belastingdienst naar verwachting intensiever, waardoor een goede motivering onmisbaar is.
Wil je meer weten over het gebruikelijk loon, de beloning voorperiode en de inbreng in de bv, meld je dan aan voor onze cursus inbreng in de bv of de dga, werknemersverzekeringen en gebruikelijk loon.
Heb je een vraag over dit artikel of een fiscale (helpdesk)vraag?
Stuur jouw vraag naar fiscaal@auxiliumadviesgroep.nl
Een van onze fiscalisten neemt contact met je op!