Helpdeskvraag
Kan een langstlevende ouder een overbedelingsschuld aflossen zonder schenkbelasting?
“Een cliënt verloor enkele jaren geleden haar echtgenoot. Op grond van de wettelijke verdeling heeft zij destijds alle bezittingen verkregen. Haar kinderen hebben een niet-opeisbare vordering op haar gekregen ter grootte van hun erfdeel. Inmiddels beschikt de moeder over voldoende vermogen en wil zij deze overbedelingsschuld aflossen. Zij vraagt zich af of zij de kinderen eenvoudig hun kindsdeel kan uitbetalen of dat hierdoor schenkbelasting verschuldigd kan worden”.
Antwoord
Dat een bestaande schuld wordt afgelost, betekent niet automatisch dat geen sprake kan zijn van een schenking. Juist bij overbedelingsschulden ligt dat anders. Uit een recent kennisgroepstandpunt blijkt dat een vervroegde aflossing van een niet-opeisbare overbedelingsschuld schenkbelasting kan veroorzaken wanneer meer wordt betaald dan de economische waarde van de vordering.
Dat is een uitkomst die veel belastingplichtigen verrast. In de beleving van de langstlevende ouder wordt slechts een bestaande schuld afgelost. Toch kijkt de Belastingdienst niet uitsluitend naar de nominale omvang van de vordering, maar vooral naar de waarde die deze vordering op het moment van aflossing vertegenwoordigt.
Van kindsdeel naar overbedelingsschuld
De situatie ontstaat vaak bij de wettelijke verdeling van artikel 4:13 BW. De langstlevende echtgenoot verkrijgt alle bezittingen van de nalatenschap, terwijl de kinderen een geldvordering krijgen op de langstlevende ouder. Die vordering is op grond van artikel 4:13 lid 3 BW in beginsel pas opeisbaar bij overlijden van de langstlevende ouder. Wel mag de langstlevende ouder de schuld op grond van artikel 4:17 BW eerder aflossen.
In de praktijk gebeurt dat regelmatig. De langstlevende ouder heeft voldoende vermogen opgebouwd, wil de nalatenschap vereenvoudigen of wil de kinderen alvast financieel ondersteunen. Juist op dat moment ontstaan de fiscale aandachtspunten.
Waarom is een schuld van € 100.000 niet altijd € 100.000 waard?
De kern van het kennisgroepstandpunt is dat een niet-opeisbare vordering economisch niet dezelfde waarde heeft als een direct opeisbare vordering. Een kind dat pas bij overlijden van de ouder recht krijgt op betaling, beschikt niet direct over dat vermogen.
Volgens de Belastingdienst geniet de langstlevende ouder gedurende die periode een financieel voordeel. Door de schuld eerder af te lossen wordt dat voordeel prijsgegeven. Wanneer daardoor een vermogensverschuiving van ouder naar kind ontstaat, kan sprake zijn van een schenking in de zin van artikel 1 lid 7 Successiewet 1956 in combinatie met artikel 7:186 lid 2 BW.
De rente bepaalt vaak de uitkomst
Of daadwerkelijk sprake is van een schenking hangt in belangrijke mate af van de rente die over de overbedelingsschuld verschuldigd is.
Wanneer sprake is van een samengestelde rente die gelijk is aan of hoger is dan de marktrente die de Belastingdienst hanteert, kan de schuld doorgaans tegen de nominale waarde inclusief aangegroeide rente worden afgelost zonder schenkbelasting. Anders wordt het wanneer de schuld renteloos is, wanneer enkelvoudige rente is overeengekomen of wanneer de samengestelde rente lager is dan de gehanteerde marktrente. In die situaties moet worden bepaald wat de werkelijke economische waarde van de vordering is.
Voor die waardering sluit de Belastingdienst aan bij de marktrente van artikel 38p Wet LB 1964 en artikel 12.3a Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011.
Een voorbeeld uit de praktijk
Het kennisgroepstandpunt werkt een voorbeeld uit waarin een moeder van 71 jaar een renteloze overbedelingsschuld van €100.000 aan haar kind heeft. De statistische levensverwachting bedraagt op dat moment nog vijftien jaar. Bij een marktrente van 3% komt de contante waarde van die vordering uit op ongeveer €64.000. Volgens de Belastingdienst kan betaling van dat bedrag plaatsvinden zonder schenkbelasting. Wordt echter de volledige €100.000 betaald, dan kan sprake zijn van een schenking.
Voor veel belastingplichtigen is dat een opmerkelijke uitkomst. Juist daarom is het belangrijk om vooraf te beoordelen welke waarde de vordering op het moment van aflossing daadwerkelijk vertegenwoordigt.
Hoe achterhaal je de hoogte van de overbedelingsschuld?
Voordat kan worden beoordeeld of sprake is van schenkbelasting, moet eerst duidelijk zijn hoe hoog de overbedelingsschuld eigenlijk is. Dat blijkt in de praktijk vaak lastiger dan verwacht.
Bij veel nalatenschappen ligt het eerste overlijden inmiddels tien, twintig of soms zelfs dertig jaar achter ons. Men weet nog dat er kindsdelen zijn ontstaan, maar de exacte omvang van de schuld of de renteafspraken zijn niet meer bekend.
Het vertrekpunt is altijd het eerste overlijden. De oorspronkelijke vordering van de kinderen volgt uit de omvang van hun erfdeel op dat moment. Daarom is het verstandig om eerst de aangifte erfbelasting van het eerste overlijden op te zoeken. In die aangifte zijn de omvang van de nalatenschap, de berekening van de erfdelen en vaak ook de renteafspraken opgenomen. Ook een testament, boedelbeschrijving of notariële akte van verdeling kan belangrijke informatie bevatten.
Wanneer deze stukken niet meer beschikbaar zijn, zal vaak een reconstructie moeten plaatsvinden aan de hand van oude WOZ-beschikkingen, bankafschriften, taxaties en andere vermogensgegevens uit die periode. In veel gevallen kan bovendien een kopie van de oorspronkelijke aangifte erfbelasting bij de Belastingdienst worden opgevraagd. Juist die aangifte blijkt in de praktijk vaak de snelste route naar de juiste uitgangspunten.
Meer dan alleen de hoofdsom
Wanneer de oorspronkelijke schuld eenmaal is vastgesteld, begint pas de tweede stap. Vervolgens moet worden beoordeeld welke rente van toepassing is en hoe deze rente moet worden verwerkt.
Daarbij maakt het verschil of sprake is van een renteloze vordering, enkelvoudige rente of samengestelde rente. Bij oudere testamenten blijkt regelmatig dat hierover onduidelijkheid bestaat. Het kennisgroepstandpunt laat zien dat juist die renteafspraken bepalend kunnen zijn voor de uiteindelijke fiscale uitkomst. Ook verwijst de kennisgroep naar HR 11 juli 1989, BNB 1989/260 voor de omzetting van enkelvoudige rente naar samengestelde rente. [
Praktisch advies
Een vervroegde aflossing van een overbedelingsschuld lijkt op het eerste gezicht een eenvoudige familietransactie. Het recente kennisgroepstandpunt laat zien dat achter die betaling een ingewikkeld waarderingsvraagstuk kan schuilgaan.
Voordat een cliënt besluit de kinderen uit te betalen, is het verstandig eerst vast te stellen hoe hoog de oorspronkelijke schuld was, welke renteafspraken gelden en welke waarde de vordering op het moment van aflossing daadwerkelijk vertegenwoordigt. Pas daarna kan worden beoordeeld welk bedrag zonder schenkbelasting kan worden uitgekeerd.
Juist omdat veel van deze vorderingen jarenlang ongemoeid blijven, is de kans groot dat dit onderwerp de komende tijd vaker op het bureau van accountants en fiscalisten terechtkomt. Het kennisgroepstandpunt van 22 juni 2026 vormt daarvoor een duidelijke waarschuwing: een aflossing van een schuld is niet altijd slechts een aflossing van een schuld.
