Prinsjesdag 2026
Status: wetsvoorstel. De parlementaire behandeling kan nog tot wijzigingen leiden.
Start-ups en scale-ups hebben vaak onvoldoende geld om schaars talent een hoog salaris te bieden. Het kabinet wil het voor deze ondernemingen daarom aantrekkelijker maken om werknemers met aandelenopties te belonen. Vanaf 2027 krijgen deze opties een gunstiger fiscaal regime. De rekening komt deels terecht bij IB-ondernemers: de meewerkaftrek en de stakingsaftrek worden eerst fors verlaagd en daarna afgeschaft. Daardoor raakt dit voorstel niet alleen innovatieve groeibedrijven.
Waarom is een nieuwe regeling nodig?
Jonge groeibedrijven hebben vaak weinig geld, maar willen schaarse werknemers wel laten delen in een toekomstige waardestijging. Aandelenopties bieden daarvoor een oplossing. Onder de huidige regeling kan de werknemer echter al loonbelasting verschuldigd zijn voordat hij de aandelen heeft verkocht. Dat kan een liquiditeitsprobleem veroorzaken. Het voorstel verschuift het heffingsmoment daarom in beginsel naar de verkoop van de aandelen die de werknemer met de opties heeft verkregen.
De kern van de voorgestelde faciliteit
Bij verkoop behoort 65% van het gerealiseerde voordeel tot het belastbare loon. De grondslagversmalling brengt de effectieve belastingdruk daarmee dichter bij het box 2-tarief. Deze grondslagversmalling geldt niet als de werknemer het optierecht zelf verkoopt. De werknemer kan ook kiezen voor een eerder heffingsmoment, bijvoorbeeld bij uitoefening of zodra de aandelen verhandelbaar worden. Dat kan gunstig zijn als de waarde dan nog laag is of de werknemer de belasting uit eigen middelen kan betalen.
Niet iedere jonge of snelgroeiende onderneming valt onder de regeling. De werkgever moet vooraf bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een beschikking aanvragen. RVO beoordeelt onder meer of sprake is van een innovatieve onderneming met een schaalbaar en herhaalbaar bedrijfsmodel en in welke ontwikkelings- of groeifase de onderneming zich bevindt. De precieze criteria moeten nog in lagere regelgeving worden uitgewerkt. Een beursgenoteerde onderneming kwalificeert niet. Dat geldt ook als een beursgenoteerde onderneming meer dan 25% van de aandelen houdt. Ondernemingen kunnen daarom op basis van het wetsvoorstel nog niet met zekerheid vaststellen of zij aan alle voorwaarden voldoen.
Belangrijke voorwaarden en uitsluitingen
- Het optierecht of de verkregen aandelen mogen in beginsel niet worden verkocht binnen twee jaar na toekenning van het optierecht. Bij een eerdere verkoop of een beursgang kan een uitzondering gelden.
- De regeling geldt niet voor een lucratief belang.
- De regeling geldt niet voor werknemers die een aanmerkelijk belang houden.
- Bij emigratie ontstaat een fictief vervreemdingsmoment en kan een conserverende aanslag volgen.
- Bij immigratie voorkomt een step-up dat Nederland waardeontwikkeling van vóór de immigratie belast.
- De inhoudingsplichtige krijgt aanvullende administratieve verplichtingen, ook bij verkoop door een voormalige werknemer.
Het overgangsrecht ziet op opties die op of na 17 april 2025 zijn toegekend en op 31 december 2026 nog niet in de loonheffing zijn betrokken. Voor toepassing van het overgangsrecht moet de RVO-beschikking uiterlijk op 31 december 2027 zijn aangevraagd. Werkgevers moeten bestaande optieplannen daarom tijdig inventariseren.
De dekking raakt ook IB-ondernemers
Tegenover de nieuwe faciliteit staat een versobering voor IB-ondernemers. Per 1 januari 2027 dalen de percentages van de meewerkaftrek met 75%. De maximale stakingsaftrek daalt van €3.630 naar €908. Per 1 januari 2030 verdwijnen beide aftrekken. Volgens de wetgever zijn deze faciliteiten onvoldoende doeltreffend. Voor de individuele ondernemer kan de verlaging echter wel degelijk merkbaar zijn.
Werkt de partner structureel onbetaald mee, dan moet de ondernemer opnieuw beoordelen of deze werkwijze nog passend is. Een reële arbeidsbeloning, arbeidsovereenkomst of deelname in de onderneming kan zakelijker zijn. Elke variant heeft echter gevolgen voor de belastingheffing, sociale zekerheid, pensioenopbouw, aansprakelijkheid en toeslagen. Alleen om fiscale redenen overstappen is daarom niet verstandig.
Ook bij staking verandert de uitkomst. De stakingsaftrek is nu al beperkt, maar kan bij een kleinere stakingswinst toch verschil maken. Wie op korte termijn wil stoppen, kan laten beoordelen of het tijdstip van staking binnen de zakelijke en feitelijke mogelijkheden nog kan worden beïnvloed. De feitelijke overdracht blijft daarbij leidend. Kunstmatig schuiven met het stakingsmoment kan tot discussie met de Belastingdienst leiden.
Voorbeeld: optievoordeel
Een werknemer behaalt bij verkoop een voordeel van €200.000. Onder de voorgestelde regeling wordt 65%, oftewel €130.000, als loon belast. Zonder grondslagversmalling behoort het volledige voordeel van €200.000 tot het loon. Het verschil in belastbare grondslag bedraagt dus €70.000. De uiteindelijke belastingbesparing hangt af van het marginale tarief, het gekozen heffingsmoment en de vraag of aan alle voorwaarden is voldaan. De werkgever moet de loonheffing tijdig kunnen inhouden en vooraf afspraken maken over het verhaal daarvan op de werknemer.
Rol van de accountant
- Controleer of de onderneming werkelijk voor een RVO-beschikking in aanmerking kan komen.
- Laat arbeidsrechtelijke, vennootschapsrechtelijke en fiscale documentatie op elkaar aansluiten.
- Leg het gekozen heffingsmoment, de lock-up en de informatieverplichtingen schriftelijk vast.
- Inventariseer bestaande opties die onder het overgangsrecht kunnen vallen.
- Bespreek met reguliere IB-ondernemers de afbouw van meewerkaftrek en stakingsaftrek.
Conclusie
De voorgestelde regeling kan aandelenopties aantrekkelijker maken voor kwalificerende start-ups en scale-ups, maar stelt strikte voorwaarden aan de toepassing en uitvoering. De precieze RVO-criteria moeten nog in lagere regelgeving worden uitgewerkt. Tegelijk betalen IB-ondernemers mee door de afbouw en afschaffing van de meewerkaftrek en de stakingsaftrek. Accountants moeten daarom bestaande en nieuwe optieplannen tijdig inventariseren en IB-ondernemers wijzen op de gevolgen voor meewerkende partners en een voorgenomen staking.