De opdrachtgever dacht een zzp’er in te huren. Tot iemand zich hardop afvroeg: werken wij hier eigenlijk wel met een zelfstandige?
Maandagochtend, half negen. De teamleider schenkt koffie in en schuift aan bij het overleg. Mark zit er al. Dat is niet vreemd. Hij werkt hier inmiddels ruim een jaar. Doet hetzelfde werk als collega’s in loondienst. Zit bij elk teamoverleg. Voor iedereen is het duidelijk: Mark is zzp’er. Zo staat het tenslotte in het contract.
Toch komt de vraag op tafel: “Wat gebeurt er eigenlijk als hier iemand anders naar kijkt?”
Vanaf dat moment verschuift het beeld. Niet omdat er iets is misgegaan, maar omdat niemand zich echt meer heeft afgevraagd hoe die samenwerking inmiddels eruitziet.
Wat op papier staat, is niet doorslaggevend
Sinds 1 januari 2025 handhaaft de Belastingdienst weer actief op schijnzelfstandigheid. Tegelijk heeft de Hoge Raad bevestigd hoe je hiernaar moet kijken: je beoordeelt de arbeidsrelatie op basis van alle feiten en omstandigheden samen. Niet één element is beslissend en er is ook geen vaste volgorde.
Dat betekent in de praktijk iets simpels: wat er in het contract staat, is niet leidend als de uitvoering anders is.
Je kunt een overeenkomst van opdracht hebben, maar als iemand feitelijk werkt als werknemer, dan wordt het ook zo beoordeeld. Voor opdrachtgevers zit het risico dus niet bij het tekenen van de overeenkomst, maar bij hoe er daarna wordt gewerkt en aangestuurd.
Aansturen voelt logisch, maar telt wel mee
Terug naar de casus. Mark krijgt zijn werk van de teamleider. Deadlines worden afgesproken, voortgang wordt besproken en er wordt bijgestuurd als iets anders loopt dan verwacht. Dat voelt normaal. In veel organisaties gaat het zo. Toch zit hier een belangrijk criterium: wie bepaalt hoe, wanneer en onder welke voorwaarden het werk wordt uitgevoerd?
Een zelfstandige hoort in principe zelf zijn werk in te richten. In de praktijk zie je dat dat vaak langzaam verschuift. Eerst is er afstemming, daarna vaker instructie, en uiteindelijk wordt het gewoon aansturing. Dat verschil valt niet altijd meteen op, maar telt wel mee in de beoordeling.
Meedraaien in het team of toch ingebed?
Mark heeft een e-mailadres van de organisatie, werkt in de systemen en zit bij overleggen. Hij pakt werk op dat ook door werknemers wordt gedaan en vervangt soms collega’s. Dat is praktisch, maar dit is precies wat onder inbedding wordt verstaan.
Het werk dat hij doet maakt onderdeel uit van de normale bedrijfsvoering. Hij staat niet meer echt ‘buiten’ de organisatie. Op zichzelf hoeft dat nog niet doorslaggevend te zijn, maar in combinatie met aansturing en afhankelijkheid kan dat wel de balans laten doorslaan.
Ondernemerschap moet ook zichtbaar zijn
Dan komt vaak de reactie: “Maar hij is toch ondernemer?” Mark heeft een KvK‑inschrijving en stuurt facturen. Maar daar houdt het niet op. De vraag is hoe iemand zich feitelijk gedraagt. Heeft hij meerdere opdrachtgevers? Kan hij werk weigeren zonder gevolgen? Loopt hij ondernemersrisico? Regelt hij zelf vervanging?
In veel gevallen blijkt dat iemand vooral voor één opdrachtgever werkt en daar volledig in meedraait. Dat kan gaandeweg zo ontstaan. Aan het begin is het tijdelijk, daarna wordt het een vaste samenwerking. En juist dat maakt het kwetsbaar.
En dan komt een ander risico naar voren
Tijdens het overleg in onze casus blijft het daar niet bij. Iemand merkt op dat de Belastingdienst hier vast iets van vindt. Een ander knikt, maar vraagt zich hardop af of dat eigenlijk wel het enige risico is. Want stel dat Mark zelf aan de bel trekt.
Niet nu, maar later. Als hij ziek wordt. Of als de samenwerking stopt. Of als er onenigheid ontstaat over betaling of inzet. Dan kan de discussie ineens kantelen en ligt de vraag op tafel of er eigenlijk wel sprake was van een opdracht. In zo’n situatie kan Mark alsnog stellen dat hij in loondienst werkte. Met alles wat daarbij hoort: aanspraak op loon, sociale zekerheid en mogelijk pensioen. En dat werkt terug in de tijd.
Aan tafel bij het teamoverleg wordt het even stil. Want dat is een andere invalshoek. Het risico zit dan niet in een controle van buitenaf, maar in de samenwerking zelf.
Voor de opdrachtgever en eigenlijk ook voor de accountant ligt daar een ongemakkelijke vraag. Niet zozeer of het nu goed gaat, maar of er eerder al signalen waren dat deze samenwerking anders beoordeeld zou kunnen worden.
Het tarief lijkt duidelijk, maar is het niet
Op een gegeven moment valt in het teamoverleg ook het tarief. Iemand merkt op: “Maar onder de € 38 per uur mag het straks toch niet meer?” Dat hoor je vaker, maar zo simpel ligt het niet.
Die € 38 komt uit het wetsvoorstel Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR). Dat voorstel bestond uit twee delen. Het eerste deel moest duidelijker maken wanneer iemand als werknemer of als zelfstandige moet worden gezien. Dat deel is in maart 2026 geschrapt, omdat het in de praktijk vooral onduidelijkheid gaf en lastig toepasbaar bleek.
Wat overblijft, is het idee van een rechtsvermoeden bij lagere tarieven. Kort gezegd: bij een uurtarief onder € 38 wordt het makkelijker voor de werkende om te stellen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. In dat geval verschuift de discussie. De opdrachtgever moet dan onderbouwen dat er toch sprake is van zelfstandigheid.
Maar zover is het nog niet. Dit is nog geen geldend recht. Het gaat om een aangepast voorstel dat nog door het parlement moet. De verwachting is dat dit niet voor 2027 gaat spelen. Tot die tijd verandert er in de kern niets en blijft de beoordeling draaien om alle feiten en omstandigheden.
Het tarief zelf is dus geen harde grens en ook geen minimumtarief. Werken onder de € 38 is niet verboden. In de praktijk zie je wel dat lagere tarieven sneller vragen oproepen. Zeker als iemand langdurig voor één opdrachtgever werkt en weinig zichtbaar ondernemerschap heeft, gaat het geheel er minder uitzien als een zelfstandige opdracht.
Waar het in de praktijk vaak misgaat
Wat bij Mark gebeurt, zie je vaak. Een zelfstandige wordt tijdelijk ingehuurd, de samenwerking loopt goed en wordt verlengd. De zzp’er raakt steeds meer onderdeel van het team. Zolang alles goed gaat, voelt dat logisch. Pas achteraf ontstaat het risico. Als wordt vastgesteld dat feitelijk sprake was van een arbeidsovereenkomst, kan de opdrachtgever worden geconfronteerd met naheffingen van loonheffingen en premies en met arbeidsrechtelijke claims. Daarbij geldt wel een nuance. In bepaalde gevallen kan een deel van de schade contractueel bij de opdrachtnemer worden gelegd of worden verhaald. Voor werkgeverspremies geldt dat niet. Bovendien is verhaal in de praktijk vaak onzeker, bijvoorbeeld door bewijsproblemen of gebrek aan verhaalvermogen.
“Maar we gebruiken toch een modelovereenkomst?”
Modelovereenkomsten worden vaak genoemd als bescherming. Die bescherming bestaat alleen als de praktijk aansluit bij de tekst. Als op papier zelfstandigheid is vastgelegd, maar in de uitvoering sprake is van aansturing en inbedding, helpt de overeenkomst niet.
Dat neemt niet weg dat een goede overeenkomst wel degelijk van belang is. Zonder passende afspraken neemt het risico juist verder toe, omdat dan ook de contractuele basis ontbreekt om de samenwerking te duiden of vast te leggen.
Wat vraagt dit van opdrachtgevers?
De kernvraag is eenvoudig, maar vaak ongemakkelijk: past deze opdracht bij een zelfstandige?
Dat vraagt om keuzes bij de inrichting van de werkzaamheden, de duur van de inzet en de mate van aansturing. Soms betekent dat aanpassen. Soms betekent het erkennen dat een opdracht beter in loondienst past.
Tot slot
Schijnzelfstandigheid ontstaat zelden door bewuste keuzes. Meestal groeit het zo. Juist daardoor wordt het risico pas laat zichtbaar. De beoordeling blijft afhankelijk van alle feiten en omstandigheden. Contract, tarief en proces spelen een rol, maar nooit los van elkaar. Voor opdrachtgevers en accountants ligt de uitdaging in het tijdig herkennen van die samenhang en het bespreekbaar maken van de risico’s, ook als die zich pas later kunnen voordoen.
In dit artikel gaan we in op hoe de Belastingdienst handhaaft. Wat gebeurt er bij een controle? Waar wordt op gelet? En wat betekent dat concreet voor opdrachtgevers?